Kom, waarachtig licht

Kom, waarachtig licht. Kom, eeuwig leven.
Kom, verborgen geheim. Kom, onbenoembare schat.
Kom, onuitsprekelijke. Kom, onvatbare persoon.
Kom, eeuwige jubel. Kom, avondloos licht.
Kom, ware verwachting van allen die gered zullen worden.
Kom, oprichter van wie neerliggen.
Kom, verrijzenis van de doden.
Kom, alvermogende,
die alles altijd maakt, herstelt en verandert,
door Uw wil alleen.

Kom, eeuwige vreugde. Kom, onverwelkbare krans.

Kom, troost van mijn nederige ziel.
Kom, vreugde, roem, en voortdurende wellust.

Ik dank U dat Gij een avondloos licht geworden zijt,
en een nooit ondergaande zon,
Gij, zonder schuilplaats,
alles vervullend met uw roem.

Sla nu Uw tent op, Meester, woon in mij,
en blijf zonder heen te gaan,
onafscheidelijk, tot het einde, in mij, uw slaaf,
Gij, goedertierene,
dat ik bij mijn heengaan en na mijn heengaan in U mag zijn,
God over alles.

Ik, dode, U immer aanschouwend, ik leef,
ik, arme, ben altijd rijk,
ja, rijker dan alle koningen zal ik zijn,
want ik eet en drink U,
elk uur bekleed ik met met U.
Ik moge verkeren in het onuitsprekelijke,
en ik zal me verlustigen in het goede,
want Gij zijt alle goed, alle roem en alle wellust.
U past de roem, U, heilige, medewezenlijke,
en levenschenkende Drieëenheid,
door alle gelovigen vereerd,
erkend, aanbeden en gediend
als Vader, Zoon en Heilige Geest,
nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen.

 
H. Symeon "de Nieuwe Theoloog", monnik (949-1022).

Uit de Hymnen, Inleidend gebed, in: Sources Chrétiennes 156 (1969), p. 150-155. Vertaling naar: Christofoor Wagenaar (vert.), Bidden  met de kerkvaders (Antwerpen-Breda 1987), p. 113.

<<Terug>>